Back to reviews

 

Bijdrage en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden

Elsbeth Locher-Scholten

 

P van der Velde, Een Indische liefde. P. J. Veth (1814-1895) en de inburgering van Nederlands-IndiŽ (Dissertatie Leiden 2000; Amsterdam: Balans, 2000, 451 blz., f65,-, ISBN 90 5018 529 0).

Deze biografie van de negentiende-eeuwse hoogleraar in de Indische taal- en volkenkunde P J. Veth (1814-1895) is een belangrijk boek. Niet omdat er in Nederland zo weinig biografieŽn zouden zijn geschreven. Die mythe kunnen we inmiddels gevoeglijk achter ons laten. Wel omdat Van der Velde via het leven van Veth het negentiende-eeuwse liberalisme tekent in al zijn progressiviteit en beperktheden. Dat leven illustreert hoe zich dat liberalisme ontwikkelde tot een Nederlands nationalisme en hoe belangrijk daarin de koloniale factor werd, voor Veth zelfs `de bestaansgrond van Nederland'. De Dordtenaar Veth, zoon van een groothandelaar in ijzerwaren, evolueerde van een begaafd en hardwerkend student in de theologie tot een even hard werkend hoogleraar in de Indische taal- en volkenkunde. Zuinig op zijn tijd liet hij geen ogenblik ongebruikt en wist hij naar eigen zeggen zo zijn werkzaamheid `te vermenigvuldigen'. Zijn weg liep van de studie theologie in Leiden over Breda, waar hij korte tijd aan het KMA Engels en Oosterse talen doceerde (1838-1841), naar het Atheneum in Franeker (1841-1842) en vandaar via het Atheneum Illustre te Amsterdam (1842-1864) terug naar de Leidse universiteit (1864-1884). Met Java, zijn magnum opus van drie delen en 3.000 bladzijden, werd hij de autoriteit op het gebied van Nederlands-IndiŽ. En al was hij een slecht didacticus die zijn beperkt aantal studenten uit eigen werk dicteerde en voorlas, hij had door zijn persoonlijke aandacht bij hen geen slechte pers.

Zijn oeuvre omvat 20.000 bladzijden waarvan 80% aan IndiŽ is gewijd. Hij werd de popularisator van IndiŽ, toen die kolonie in Nederland nog nauwelijks bekendheid genoot. Pas in de jaren zeventig van de negentiende eeuw zouden aardrijkskunde en geschiedenis van de archipel verplichte vakken worden op de lagere school en een plaats krijgen in de jeugdliteratuur. Veths lovende recensie in De Gids gaf Multaltuli's Max Havelaar bekendheid. In Leiden zou hij van 1864 tot 1877 aanstaande ambtenaren scholen in humanitaire zorg voor de inheemse bevolking. Of hij daarmee, zoals Van der Velde beweert, ook zorgde voor een nieuwe generatie `ethische' bestuursambtenaren, is een vraag. Die waren immers rond 1900 al weer aan hun (vroegtijdig) Indisch pensioen toe.

Veth beperkte zich niet tot universitair onderwijs en onderzoek. Hij was een geŽngageerde wetenschapper, die al in de jaren veertig de kant van de liberale oppositie koos en zich als redacteur van het tijdschrift De Gids 33 jaar lang voor liberale doeleinden zou inzetten (1843-1876).

Zijn liberalisme was nationalistisch getint. Als jonge dertiger zag hij weinig om zich heen, waar hij als Nederlander trots op meende te kunnen zijn. Even flirtte hij romantisch met de Duitse Bond als mogelijke inspiratie voor internationale weerbaarheid en nationale inspiratie. Na een fysieke en psychische inzinking kwam het licht echter ook voor hem uit het Oosten. Nederlands-IndiŽ werd voor hem een reden voor nationale trots, het kenmerk van Nederlands nationale identiteit. IndiŽ werd het brandpunt van zijn wetenschappelijke Ťn zijn politieke inzet. Zelf heeft hij de kolonie nooit bezocht. Helaas maakt Van der Velde de reden daarvoor niet geheel duidelijk. Vormden Veths zwakke gezondheid, zijn eeuwige klachten over geldgebrek, de afstand, of een - aan anderen verweten - gebrek aan ondernemingszin de onneembare drempels? Wetenschappelijk achtte Veth een bezoek ook niet direct noodzakelijk. Volgens de encyclopedische wetenschapsbeoefening van zijn tijd, beschouwde hij zich zelf als `koningin temidden van werkbijen' en vatte hij vooral samen.

Veths liberaal-koloniale programma stond bol van zaken die wij nu als tegenstrijdig beschouwen. Zijn aandacht voor de geschiedschrijving van de Indonesische volken stond naast pleidooien voor de verovering van Atjeh. Al rond 1850 pleitte hij voor ontwikkeling van IndiŽ als morele genoegdoening voor de uit IndiŽ genoten inkomsten. Daarmee was hij een vroege pleitbezorger van een ethische politiek. Openbaarheid van bestuur, vrijheid van meningsuiting, afschaffing van het cultuurstelsel, bevordering van de vrije handel, ook de gewesten buiten Java zouden die ontwikkeling garanderen. Versmelting van de belangen van moederland en kolonie zou volgens hem uitmonden in een voor alle partijen gunstige assimilatie, maar dat assimilatie-ideaal vormde geen belemmering voor zijn geloof in westerse superioriteit. Veth leefde in een tijd dat nog alles tegelijk mogelijk werd geacht, mits de meest knellende econo-mische banden van het oude systeem maar opgeheven zouden worden.

Met de oprichting van het aardrijkskundig genootschap in 1873 groeide zijn liberaal nationalisme uit tot wetenschappelijk imperialisme, gericht op AziŽ Ťn Afrika. Veth werd woordvoerder van de `stamverwante' belangen. Zijn zoon DaniŽl, die in de jaren zeventig en tachtig door deelname aan expedities in Sumatra en Afrika Veths idealen fysiek gestalte gaf, zou die betrokkenheid niet overleven. Hij kwam in 1885 om in de Congo.

Paul van der Velde heeft een mooie biografie geschreven, die aan alle regels van het spel vol-doet: Veths leven, op zichzelf al interessant, weerspiegelt een bredere historische ontwikkeling. Tekst en context vormen een onlosmakelijk geheel. Het boek is vlot geschreven, mooi gecomponeerd en gebaseerd op een indrukwekkende hoeveelheid bronnen. Er is slechts ťťn kant-tekening bij te maken en ťťn bezwaar te noemen. De auteur doet er lang over voordat hij een keuze maakt uit de termen inlands, Indisch, inheems en Indonesisch om tenslotte de laatste te hanteren als aanduiding voor de oorspronkelijke bevolking van de archipel. Dat is in de koloniale geschiedschrijving tegenwoordig ook de meest gebruikelijke; Indisch duidt op een andere bevolkingsgroep.

Het ene bezwaar geldt vooral Veth zelf. Over zijn persoonlijk leven schreef deze weinig, zijn biograaf daardoor niet veel meer. Veth ervoer de zwaarte van het leven aan den lijve: vier doodgeboren kinderen, drie die niet eens ťťn jaar werden, twee die als tiener overleden, een vrouw die veel ziek was en in 1865 na 20 jaar huwelijk stierf. Slechts ťťn van zijn 11 kinderen overleefde hem. Vrijwel al Veths emoties over zoveel ellende gingen schuil achter en in zijn werk. Op zijn huwelijksdag schreef hij Potgieter nog een briefje om zich te verontschuldigen over niet nagekomen werkafspraken; aan het ziekbed van zijn meest dierbare zoon Cornelis die als veertienjarige aan tbc overleed, vertaalde hij het werk van de Britse bioloog A. R. Wallace. Werk was voor hem het belangrijkste medicijn. Over dat werk gaat dan ook deze biografie, een fraai portret maar achter glas.

Elsbeth Locher-Scholten