Back to reviews

 

Dienstbode, Personeelsorgaan van de Centrale Diensten van de Universiteit van Amsterdam

Michaël Jansen

 

Door een 19e eeuwse bril kijken naar
Nederlands Indië

foto: Mathijs van Basten Batenburg

November vorig jaar promoveerde Paul van der Velde, medewerker bij de afdeling ECA op ‘
Een Indische liefde (1814-1895) en de inburgering van Nederlands-Indië’. Dit proefschrift is feitelijk een biografie en beschrijft het leven van P.J. Veth, die als ‘volkenkundig professor van Nederlands Indië een belangrijk stempel heeft gedrukt op het burgerlijke 19e eeuwse gedachtegoed.   Vanuit het personeelsorgaan is het leuk om te zien dat medewerkers ‘diensten’ zich naast hun ‘ondersteunende’ werk ook nog met andere zaken zoals wetenschap bezighouden. Vanuit de Dienstbode wordt getracht hier serieus op in te gaan.

Met ‘Een Indische liefde’ wordt een lans gebroken voor het belang van de tijdgenoot om een bepaald tijdperk beter te begrijpen. Dit geldt in het bijzonder voor de 19e eeuw die ten onrechte ten gunste van meer tot de verbeelding sprekende perioden als de gouden eeuw, in het ‘verdomhoekje’ is komen te zitten. Wat weet een doorsnee Nederlander nog van de 19e eeuw? Meer dan een musical als de door Jos Brink geregiseerde Max Havelaar (het beroemdste boek over dat tijdperk en geschreven door Multatuli (Eduard Douwes Dekker); de tv series over de Max Havelaar en ‘De stille kracht’ (Couperus)… We weten het niet. Vooral wanneer het gaat om Indië, parel van smaragd heersen nogal wat ‘romantische’ denkbeelden van een prachtige exotische en vooral ook sprookjesachtige voorbije tijd. Van der Velde, de auteur van Een Indische liefde, geeft in deze biografie over P.J.Veth een goed beeld van zo’n imago/plaatje van Indië echter dan niet vanuit de ‘gemiddelde Nederlander anno 2001, maar uit het gezichtspunt van 19e eeuwse literaten: mensen rond de kring van De Gids, waarvan Potgieter, Cd Busken Huet en Multatuli wel de meest bekenden zijn.

Voor het oplichten van de sluier dat rond de mysterieuze 19e eeuw hangt is P.J.Veth een mooie ingang. Hij geeft een mooi raamwerk van het 19e eeuwse gedachtengoed. Dit bestond ten aanzien van Indië voor een groot deel uit de overtuiging dat de koloniën vooral te begrijpen zijn uit hun bijdragen aan de pracht en ontwikkeling van het moederland Nederland. Als zodanig was P.J.Veth geen vernieuwer of heeft hij er niet direct toe bijgedragen dat onze benadering van Nederlands belangrijkste kolonie ingrijpend is veranderd. Hij heeft geen diepe uitbarsting teweeggebracht en is daardoor, niet geheel onbegrijpelijk, bij het grote publiek vergeten. Een en ander werd verder in de hand gewerkt door zijn gedateerde overtuigingen. Een door Van der Velde expliciet genoemd ‘sociaal darwinisme’ kan in hedendaags Nederland niet meer, terwijl imperialistische gedachten als ronduit fout geclassificeerd kunnen worden. Toch is de bijdrage, de biografie, van belang omdat ze een beter inzicht geeft in Nederlandse 19e eeuwse beweegredenen voor de ontsluiting van Azië. Tot heden was bij historisch onderzoek steeds de economische- en politieke benadering dominant. Van het 19e eeuwse Indië werd vooral over het ‘cultuurstelsel’ geschreven. Dat was een stelsel waarbij de Indische bevolking door de Nederlandse overheid werd gedwongen om bepaalde diensten en producten aan Nederland te leveren. Via P.J.Veth wordt hierbij nog eens onder de aandacht gebracht dat de reden voor de ‘ontsluiting’ van de kolonie niet uitsluitend op ‘geldelijk gewin’ stoelde. Echter ook in het verlengde van Busken Huet (in Het land van Rembrandt, en wat Indië betreft voor een deel gebaseerd op door Veth geschreven stukken) komt naar voren dat de koloniën toch vooral in het kader van de ‘handel’ en hier in de eerste plaats ter eer en glorie van de Nederlanden werden geëxploiteerd. Dat dit beeld vooral 19e eeuws is blijkt onder andere uit de verklaring die Busken Huet in dat zelfde hoofdstuk (Handel uit Het land van Rembrandt) geeft voor de opkomst van de republiek in de 16e eeuw. Afgeleid van de ‘groot-Nederlandse gedachte’ was de bloei van de Amsterdamse stapelmarkt vooral een gevolg van de komst van Vlaamse kooplieden na de Spaanse bezetting in 1585 van Antwerpen. In een onlangs verschenen proefschrift van Gelderblom, Zuid-Nederlandse kooplieden en de opkomst van de Amsterdamse stapelmarkt (1578-1630), blijkt vanuit hedendaagse inzichten dat de voorspoed van de Amsterdamse stapelmarkt niet, zoals de 19e eeuwse overtuiging doet vermoeden, een gevolg was van een enkele, vooral religieuze, tegenstelling tussen de Nederlanden en Spanje, maar dat ook andere aspecten, die in de 19e eeuw nog onbekend en vooral nog niet voorstelbaar waren, een veel groter stempel op deze ontwikkeling hebben gedrukt.

Resumerend blijkt dat voor een nieuw beeld van Nederlands Indië naar veel verschillende bronnen gekeken kan worden. Welke uiteindelijk gebruikt worden zijn afhankelijk van het soort probleem dat opgelost moet worden of hebben te maken met een specifiek aandachtsveld. In het boek van Van der Velde stond het gedachte- en ideeëngoed van de ‘hogere’ burgerlaag centraal. De behandeling van P.J. Veth geeft onmiskenbaar een belangrijk nieuw doorkijkje naar de 19e eeuw en hier vooral met betrekking tot de Nederlandse geletterden en Nederlands Indië. Een en ander doet uitkijken naar meer biografieën van personen afkomstig uit lang vervlogen tijden.

Michael Jansen